Profieldiepte van autobanden meten

Voor personenauto's in Nederland moet het hoofdprofiel over de hele omtrek minimaal 1,6 mm diep zijn. Dat is een wettelijke ondergrens. Grip op nat wegdek en weerstand tegen aquaplaning kunnen al eerder duidelijk afnemen.

Zo meet je goed

Gebruik bij voorkeur een profieldieptemeter.

  1. parkeer veilig en zet het stuur zo dat je het loopvlak kunt zien;
  2. meet in de hoofdgroeven van het middelste deel van het loopvlak;
  3. meet op meerdere plaatsen rondom én over de breedte;
  4. noteer de laagste waarde;
  5. vergelijk links en rechts en controleer op scheve slijtage.

De rubberen slijtage-indicatoren in de hoofdgroeven zijn ongeveer zo hoog als de wettelijke grens. Ligt het profiel gelijk met zo'n bruggetje, dan is vervanging te laat om nog marge te hebben.

Waarom één meting niet genoeg is

Een verkeerd uitgelijnde auto, onjuiste spanning of versleten ophanging kan de binnen- of buitenrand sneller afslijten. Die plek zie je niet altijd bij een vluchtige blik. Controleer daarom het volledige loopvlak en laat de oorzaak onderzoeken als het profiel ongelijk is.

Wettelijk minimum en praktisch vervangen

RDW hanteert 1,6 mm voor het hoofdprofiel. ANWB adviseert je bij zomerbanden rond 2 mm op vervanging te oriënteren. Voor wintergebruik is meer profiel nodig om water en sneeuwpap af te voeren; in Oostenrijk geldt voor winterbanden bij winterse omstandigheden zelfs 4 mm als wettelijke minimumdiepte voor gangbare radiaalbanden.

Een vast vervanggetal is geen garantie. Beschadiging, droogtescheuren, een bult, zichtbare koorden of sterk ongelijk profiel kunnen directe vervanging nodig maken, ook als de meter meer dan 1,6 mm aangeeft.

Laat meteen controleren bij

  • een bult of vervorming in de zijwand;
  • een diepe snee of zichtbare karkasdraden;
  • herhaald drukverlies;
  • trillingen of trekken naar één kant;
  • plaatselijke of zaagtandachtige slijtage.