Bandenspanning controleren
Controleer de bandenspanning ongeveer maandelijks, vóór een lange rit en bij grote temperatuurverschillen. Meet als de banden koud zijn: voordat je ver rijdt of nadat de auto enige tijd heeft stilgestaan.
Waar staat de juiste spanning?
Gebruik de waarde van de autofabrikant. Je vindt die meestal:
- op een sticker in de deurstijl;
- aan de binnenkant van de tankklep;
- in het instructieboekje.
De spanning op de bandwang is niet de normale adviesdruk voor jouw auto. Voor- en achteras kunnen een andere waarde hebben. Bij volle belading of een aanhanger kan een hogere waarde zijn voorgeschreven.
Zo controleer je de spanning
- noteer de adviesdruk voor jouw belading;
- draai het ventieldopje los;
- plaats de meter recht op het ventiel;
- vul lucht bij of laat lucht ontsnappen;
- meet opnieuw en plaats het dopje terug;
- controleer alle vier banden en, als aanwezig, het reservewiel.
Meters kunnen afwijken. Gebruik bij twijfel steeds dezelfde betrouwbare meter en laat opvallend drukverlies onderzoeken.
Te laag of te hoog
Een te lage spanning zorgt voor extra vervorming en warmte. Dat kan slijtage aan de schouders, hoger verbruik en minder stabiel rijgedrag geven. Te hoog oppompen verkleint niet simpelweg het verbruik zonder nadeel: comfort, contact met het wegdek en slijtage kunnen verslechteren. Houd de fabriekswaarde aan.
Temperatuur en belading
Bandenspanning verandert met temperatuur. Corrigeer niet impulsief een hogere gemeten waarde na een lange rit; warme banden hebben van nature meer druk. Controleer opnieuw wanneer ze koud zijn. Pas bij zware belading de waarde toe die de fabrikant daarvoor noemt en zet hem later terug als dat is voorgeschreven.
TPMS-lampje
Een bandenspanningscontrolesysteem waarschuwt voor drukverlies, maar vervangt de maandelijkse controle niet. Stop veilig bij een waarschuwing, inspecteer de banden en meet de druk. Blijft het lampje branden na correctie, volg dan de resetprocedure van de auto of laat systeem en band controleren.